Weblog-Actueel
'To inspire or not to inspire'
(deel I) door Özkan Gölpinar
London beschikt met haar vele musea zoals de Tate Modern, de Tate Britain, the National Gallery, the British Museum, Victoria and Albert, Saatchi Gallery en vele andere plekken over vertoningsplaatsen waar de mooiste en grootse collecties worden tentoongesteld. London heeft daarnaast honderden toonaangevende galerien voor internationale moderne en hedendaagse kunst. De laatste jaren komen er ook steeds meer kunstzinnige instellingen en organisaties die zich bezighouden met de oriëntatie op de nieuwe continenten en het ontwikkelen van een kritische discours met betrekking tot culturele diversiteit in de kunsten. Redenen te over voor Ozkan Golpinar, programmamanager culturele diversiteit bij het fondsBKVB om een bezoek te brengen aan de belangrijkste organisaties in het Verenigd Koninkrijk op het gebied van de culturele diversiteit. In drie blogbijdragen zal hij ingaan op de vraag wat wij in Nederland kunnen leren van de Britse aanpak.
Deel I - To inspire or not to inspire
Arts Council England (ACE) heeft de afgelopen 5 jaar enkele grote programma’s over diversiteit opgezet. In 2003 startte ACE het Decibel programma (gevolgd door Decibel Legacy) waarin Britse kunstenaars uit Azië, Afrika en de Cariben centraal stonden. Het programma werd met veel kritiek ontvangen omdat het de “cultureel diverse” kunstenaars en organisaties teveel ‘ghettoiseerde’. Als reactie op deze kritiek werd een van de grootste criticasters Niru Ratnam van the Store Gallery uitgenodigd om een nieuw programma op te zetten. Ratnam ontwikkelde het zogenoemde Inspire programma. Dit programma voorzag in een tijdelijke plaatsing van een select groepje 'cultureel diverse' gastcuratoren in belangrijke musea als Tate, Hayward en Victoria & Albert, om hen zo in de reguliere infrastructuur op te nemen.
Ratnam is sindsdien sceptisch gebleven over positive action programma’s. In zijn ogen bleven de aan 'Inspire' verbonden curatoren vooral met "zwarte" onderwerpen zoals het ‘ Black History Month’ gekoppeld, en was er weinig verbinding met "kleurloze" onderwerpen en thema’s binnen de instellingen. Ratnam is (dan ook) niet meer actief voor ACE. Inspire is tegenwoordig ondergebracht bij het Royal College of Arts, waar het een speciale cursus is geworden. Daarmee was het programma weer terug bij de ghetto-aanpak die Ratnam juist bekritiseerde, door een aparte cursus voor “gekleurde” curatoren te organiseren naast een “reguliere” cursus voor “gewone” curatoren.
In de ogen van Ratnam werkt positive action alleen als korte termijn interventie: als het instrument te lang wordt ingezet wordt het geïnstitutionaliseerd, verliest het zijn kracht en zorgt het voor tegengesteld effect. Voor curatoren en andere cultuurwerkers achter de schermen zijn positive action interventies beter geschikt dan voor kunstenaars, die door de specifieke beoordeling op etniciteit immers een stigma krijgen opgelegd dat hun artistieke kwaliteit blijkbaar niet voldoende was voor reguliere selectie.
Volgens Niru Ratnam wordt in het Verenigd Koninkrijk met grote interesse naar Nederland gekeken wanneer het gaat om de relatie tot Islam en moslims; daarover is in het Verenigd Koninkrijk eigenlijk weinig discours. In de praktijk is de “non western non white” intelligentsia in Groot-Brittannië zelden moslim; vanuit het subcontinent zijn de meesten zelfs van Hindoe-afkomst (traditioneel een antagonist van moslims). Langzaamaan wordt het klasse-aspect van diversiteit ontdekt (bijvoorbeeld dat Bangladeshi en Pakistani doorgaans veel armer zijn in Groot-Brittannië dan Indiërs), maar op klasse kan moeilijk beleid gevoerd worden.
Commerciële galeries hebben volgens Niru Ratnam soms een voorsprong ten opzichte van overheids-gesteunde musea, omdat zij niet gebonden zijn aan verdelingsprincipia of ander officieel beleid. Ratnam geeft als voorbeeld de tentoonstelling “30 Americans” die de Rubell Family Collection organiseerde parallel aan de laatste Art Basel Miami: zonder dit al te expliciet als zodanig neer te zetten, bleek de presentatie volledig uit AfroAmerikaanse kunstenaars te bestaan.
Özkan Gölpinar
Programmamanager Culturele Diversiteit
Fonds BKVB