Weblog-Actueel
'Cijfers'
door Lex ter Braak
In 1997 verscheen het boekje Het Fonds in cijfers. In heldere, goed leesbare cijferreeksen geeft het een overzicht van tien jaar subsidieverstrekking van het Fonds BKVB. Daaruit blijkt bijvoorbeeld dat in de periode 1988-1996 per jaar gemiddeld zo'n 140 werkbeurzen werden toegekend, ongeveer 90 startstipendia en rond de 30 projectsubsidies. De cijfers voor de basisstipendia zijn lastig samen te vegen omdat de openstelling van de regeling in 1994 een golf aanvragen met zich meebracht. Grof gezegd was het aantal toekenningen rond de 280. Al met al was het totaal aantal toekenningen niet erg hoog - zeker als je bedenkt dat er vaak in rozige termen over dit verleden gesproken wordt. De herinnering vertekent ook hier.
Het wordt hoog tijd dat dit tabellarium een vervolg krijgt, niet alleen omdat de cijfers verouderd zijn en nieuwe vragen mogelijk andere cijfers uit de computer laten spugen, maar ook omdat er de laatste tijd gebruik gemaakt wordt van Fondscijfers zonder dat die zijn gecontextualiseerd.
Zoals iedereen weet, zeggen cijfers op zich niets maar krijgen hun betekenis door context gerelateerde informatie. Als je bijvoorbeeld leest dat het percentage leerlingen dat slaagde voor het eindexamen 100% bedroeg dan lijkt dat een resultaat waar school en leraren trots op mogen zijn. Het cijfer suggereert een uitstekende vooropleiding op een even uitstekende school. Blijkt het evenwel om één eindexamenleerling te gaan die was overgebleven na een uitputtende afvalrace dan spreekt het zonnige percentage opeens een heel andere taal.
In de laatste editie van het Rotterdamse kunstenaarsperiodiek Fucking Good Art (januari 2009) bijvoorbeeld zijn cijfers uit verschillende Fondspublicaties bij elkaar gesprokkeld die moeten bewijzen dat het Fonds BKVB minder subsidies toekent, minder beurzen verstrekt en dus de kunstenaar in de kou laat staan. Is dat beeld terecht? Nee, allesbehalve: als je alles op een rij zet en de cijfers tegen het licht van de tijd houdt dan krijg je een geheel ander beeld.
Ter herinnering: tot 2000 kon je als kunstenaar maar twee keer in je leven een basisstipendium toegekend krijgen (als je inkomen tenminste niet boven dat van een bijstandsuitkering uitkwam!); dan was er de mogelijkheid van een werkbeurs (ongeveer 15.000 euro). Een projectsubsidie aanvragen was ingewikkeld en vaak in het nadeel van de aanvrager (eerst moest de kwaliteit van het werk van de aanvrager positief beoordeeld worden, dat moest gevolgd worden door een positieve beoordeling van het project en pas na deze dubbele positieve kwalificatie werd het aangevraagde bedrag toegekend).
Toentertijd waren veel kunstenaars ongelukkig met deze beperkte subsidiemogelijkheden. De afgelopen jaren heeft het Fonds ingezet op modernisering van het stelsel. Wat betreft het basisstipendium lijkt het mij een verbetering dat de inkomensgrens dusdanig verhoogd is dat er geen enkel verband meer met een uitkering bestaat. Het is pure winst dat er nu elke vier jaar een basisstipendium aangevraagd kan worden, evenals het feit dat het bedrag verhoogd is (in 1994 was dat 25.000 euro, nu 36.000 euro).
De werkbeurs lijkt verdwenen maar leeft voort in het basisstipendium en de standaard bijdrage wekbudget. Bij beide subsidievormen gaat het om standaard bedragen waarmee de aanvrager zijn werk kan voortzetten. De flexibele bijdrage werkbudget biedt de aanvrager de ruimte een op maat gesneden subsidie aan te vragen – met inbegrip van tegemoetkoming kosten van levensonderhoud. De startstipendia bleven en werden verhoogd, het budget van de publicatiesubsidie nam toe. Me dunkt, een heel pakket dat in haar overzichtelijke diversiteit de kunstenaar alle ruimte en mogelijkheden biedt – en daar moeten dan nog het grote aanbod aan buitenlandateliers en de budgetten voor de bijzondere projecten aan toegevoegd worden.
Waarom dan toch geklaag? Mogelijk omdat dat de aard van het beestje is en zeker omdat er, zoals ook via het platform Zonderkunstenaarsgeenkunst, selectief met de cijfers geschermd wordt. Toen het basisstipendium in 2001 werd ‘vrijgegeven’ was er sprake van een massale inhaalslag: kunstenaars die toen hun derde basisstipendium aan konden vragen deden dat. Vermeerderd met de normale honoreringen leverde dat gedurende enkele jaren exceptioneel hoge toekenningscijfers op. Na verloop van tijd ebde dat effect weg en werden de cijfers weer stabiel. Wie wil aantonen dat het Fonds minder toekent, grijpt altijd naar de cijfers uit de paar jaren waarin de cijfers (letterlijk en figuurlijk) uitzonderlijk hoog waren. Wie een langere periode voor ogen neemt, komt tot een andere conclusie.
Wat evenmin in de overzichten van Fucking Good Art en Zonderkunstenaarsgeenkunst een plaats krijgt zijn de bijdragen werkbudget, de publicatiesubsidies etc. Door een belangrijk deel van de subsidies uit te sluiten hou je vanzelf een deplorabel staatje over dat de vooringenomen conclusie bevestigt. Jammer, want het creëert een nodeloos negatieve stemming.
Ook over de aantallen toe te kennen en toegekende startstipendia worden wilde cijfers opgevoerd. En als antwoord geldt in wezen hetzelfde verhaal. Gedurende een korte tijd heeft het Fonds een bovengemiddeld aantal startstipendia toegekend: in de jaren 2002 tot en met 2004 waren dat ongeveer 120 per jaar. De achterliggende reden is even simpel als veelzeggend: de commissie was te ruimhartig en kende te vaak een startstipendium toe waar dat op grond van de kwaliteitscriteria niet het geval had moeten zijn. Het voordeel van de twijfel regeerde. Wie van mening is dat ruimhartige toekenning een goede zaak is moet zich wel realiseren dat de daarmee gemoeide gelden weer ten koste gaan van de andere subsidies. En dat kan weer betekenen dat de overbesteding bij de startstipendia ten koste gaat van het budget voor kunstenaars die de startfase (allang) voorbij zijn. Gezien de discussie over de positie van de oudere kunstenaar (zie b.v. het artikel van Lien Heyting, NRC van 20 februari j.l., waarover een volgende keer meer) lijkt mij dat geen goede ontwikkeling. Ter afronding: na deze kortstondige periode van ruime toekenningen keerde het aantal weer terug naar het jaarlijkse gemiddelde van 70 – en dat komt precies overeen met het aantal dat nu ook toegekend wordt en dat in het beleidsplan 2009-2012 genoemd wordt.
Wie liever in een stelsel van confectie- dan van op maat gesneden subsidie leeft, heeft gelijk als hij de veranderingen bij het Fonds betreurt. Er heeft naast de continuering van de basisstipendia en de startstipendia immers een verschuiving plaatsgevonden ten gunste van project-gerelateerde aanvragen, het verblijf in het buitenland en de stimulering van bijzondere projecten. Maar het budget dat aan de kunstenaars ten goede komt is gelijk gebleven – alleen wordt het op een andere manier verdeeld. Het kan zijn dat de statistische helderheid wint met gestandaardiseerde bedragen maar zeker is dat de kunstpraktijk er niet beter van wordt. Dat is terug naar af en dat kan in een tijd waarin stilstand al achteruitgang is niet de bedoeling zijn.
Lex ter Braak
directeur Fonds BKVB