|
Op 23 maart 2000 vond in zaal A van de faculteit Bouwkunde van de TU-Delft een afsluitend symposium plaats waarbij de betekenis van het aspect ‘Touchability’ voor de huidige ontwerpcultuur aan de orde werd gesteld. Bijgaand verslag geeft een impressie van het symposium. Achtereenvolgens samenvattingen van de lezingen van Henk Döll, Michael Sundman, Pekka Helin, Rainer Mahlamäki, Jens Kvorning, Sven Ingvar Andersson en Peter Hemmersam. Tevens weergaven van reacties van enkele deelnemers aan de reis. Tot slot een impressie van het debat o.l.v. Rob Docter. At the end of the text you will find an english summary. Henk Döll (Mecanoo): Het noorden als inspiratiebron. De jury van de Archiprix, een jaarlijkse prijs voor net afgestudeerde studenten bouwkunde, was afgelopen jaar unaniem in haar beslissing geen eerste prijs uit te reiken. Het jury-rapport maakt melding van een dominantie aan conceptueel denken en een presentatie die arm en ‘not to the point’ genoemd mag worden. Deze uitspraak is niet een incidentele klacht. De tendens om architectuur te reduceren tot een abstract schema bestaat overigens niet alleen bij studenten; een groot deel van de architecten lijkt zich steeds minder te bekommeren om vakmanschap. Een groot verschil met de ervaringen opgedaan tijdens een studietrip naar Finland tien jaar geleden. De ‘noordelijke’ architectuur, en dan niet alleen die van de grote meesters Aalto, Asplund, Jacobsen, etc, maar ook die van anderen in de schaduw van de meesters, kenmerkt zich door vakmanschap. De ‘noordelijke architectuur’ kenmerkt zich verder door integratie op alle niveaus en een ondogmatische houding tegenover architectuur. De integratie verloopt van groot - het verweven van landschap in urbane gebieden - tot het kleinere schaalniveau; de aandacht voor architectonische details. De houding om elk project op zichzelf te beschouwen levert gebouwen op die door de gebruikers na jaren nog steeds hogelijk worden gewaardeerd. De ‘noordelijke’ architectuur kent een grote productie van hoge kwaliteit. De invloed op Mecanoo is groot vanwege bovengenoemde kwaliteiten. Zo is een jaren 50 project in Bremen belangrijk geweest voor de inrichting van de Kop van Zuid in Rotterdam. De oriëntatie van de sociale woningbouw op de haven en de blokbehandeling, met kleine maten grote effecten sorteren, zijn elementen geweest die Mecanoo overnam. Het directe en indirecte lichtgebruik in Aalto’s Villa Mairea is van belang geweest voor de inrichting van de Openbare Bibliotheek van Almelo. Evenals de combinatie van open en intieme ruimten, en het interieur dat het exterieur reflecteert. De bibliotheek van de Technische Universiteit van Delft, grotendeels onder gras -integratie in het landschap- kent referenties naar Asplund (bibliotheek Stockholm) en Saarinen (WNT Building, John F. Kennedy) in met name het gebruik van de centrale hal en de opslag, een hoge muur van boeken. Aalto’s Summerhouse is van invloed geweest op de invulling van het Openlucht Museum Arnhem; vooral het effect van de muur, lengte, kleur en textuur, is hier duidelijk zichtbaar. De houding van de noordelijke architecten is die van een constante dialoog met toekomstige gebruikers en de situatie. Deze houding is van grote invloed geweest op Mecanoo; specifieke condities worden door interactie steeds weer opnieuw gedefinieerd. Het ontwerp moet niet alleen probleemoplossend zijn maar zichzelf steeds weer opnieuw formuleren, of om Ove Arup te citeren: "Why to built and what to built is much more difficult and unknown than how to built". Mikael Sundman (Town Planning Department Helsinki): Helsinki: geschiedenis en context. Het thema van Helsinki is de combinatie van architectuur en natuur in een urbaan ontwerp. Helsinki is een jonge hoofdstad; in 1812 is de afscheiding van het Zweeds koninkrijk een feit, Finland is dan onderdeel van het Russisch rijk. Later wordt Finland een gebied tussen West-Europa en de Sovjet Unie. De positie van Helsinki wordt bepaald door twee assen: van west naar oost (Kopenhagen/ Stockholm naar Sint Petersburg/Moskou) en van Noord-Finland en rest van Finland naar de Baltische staten. De ligging van de Finse hoofdstad wordt bepaald door de open ruimte van de zee, de Finse en Baltische Golf. De vorm van Helsinki is die van de neo-klassieke stad met rechte lijnen en een sterke scheiding tussen architectuur en natuur. Deze traditionele setting kent een tegenhanger in de onscherpe scheiding tussen architectuur en natuur, voortkomend uit de traditie van de Zweedse versterkingen. De behandeling van rotspartijen voor forten uit het midden van de 18de eeuw geeft de onscherpe grens weer tussen natuur en architectuur. In de barok-periode komt Europa naar Finland. De architectuur uit deze tijd in Helsinki is vergelijkbaar met de barok- architectuur uit Oost en Midden Europa. Een voorbeeld is een militair gebied in Parijs dat sprekend lijkt op een later plan in Helsinki. De actuele toestand is dat Helsinki ook deels een arbeidersstad is, waar net als in andere steden, bijvoorbeeld Oslo, de zon op komt in het arbeidersdeel en ondergaat in het deel waar de bourgeoisie resideert. De huidige problemen van Helsinki zijn vergelijkbaar met steden waar industrie wegtrekt uit de stad, en lege gebieden achterlaat, en havengebieden verder van de stad komen te liggen. Arabianranta, een oud industriegebied aan zee wordt omgebouwd tot een nieuw woongebied met faciliteiten voor kinderen, zoals scholen en speelplaatsen. Daarnaast moeten sociale voorzieningen voor 7.000 mensen worden gerealiseerd. Gekozen is voor een semi-open structuur; er is direct contact met de zee, de grond waar opgebouwd wordt is klei, en een park wordt aangelegd. Een stedelijk karakter moet ontstaan door een verfijnd stratensysteem, waarbij het monotone van het parkeren doorbroken moet worden. In het plan zijn scherpe grenzen aangegeven tussen publieke, semi-publieke en private delen. Dit vanuit het idee dat het nooit onduidelijk moet zijn waar en hoe je beweegt in de ruimte. Het streven is om ‘normale’ architectuur te realiseren. Geen extravagantie, maar in de traditie van het Fins modernisme. Een respectvolle houding ten aanzien van het landschap is hierbij van groot belang. De elementen die een prominente plek moeten krijgen zijn de sauna (op een woonblok) en naar de zeekant toe terrasvormen en de universiteit van toegepaste kunst. Een ander gebied, dat opnieuw vorm moet worden gegeven is een voormalige havengebied (Ruoholahti). Net als in voormalige havengebieden in Amsterdam en Rotterdam is hier de oorspronkelijke havenactiviteit buiten de stad komen te liggen. Een gebied van 150 ha moet klaar zijn in 2007. De oorspronkelijk structuur van kleine eilandjes, die de haven mogelijk maakte, wordt hersteld. Zo is differentiatie in woonvormen mogelijk. De relatie met het oude stadscentrum komt tot stand door de rechte lijnen van de hoofdwegen. Ook hier is een scherpe scheiding tussen natuur en architectuur, zodat het duidelijk is waar suburbia stopt en de stad begint. Reactie van Leen Kooman (Mecanoo). Kooman was verrast door het zomerse en de levendigheid van Helsinki. Opmerkelijk in de verschillende projecten was de sterke uitgewerkte relatie tussen de gebouwde omgeving en de natuur. De fraaiste voorbeelden waren Suomenlinna, 10 minuten met de boot vanuit Helsinki centrum, Käpylä, een laagbouwproject uit het begin van de 20ste eeuw met houten elementen, en Maakararankuja, een voormalig havengebied, thans woongebied. Pekka Helin (Helin & Co): concept & detail: Nokia Headquarters en ander recent werk. Helin & Siitonen zijn de architecten van het Nokia hoofdkantoor in Helsinki. Het bureau, inmiddels Helin & Co genaamd, won de eerste prijsvraag (begin jaren 80). De tweede prijsvraag in 1985, door Nokia uitgeschreven om weer up to date te zijn, werd ook gewonnen. Een hectische periode van twee jaar volgde, twee maanden na de prijsuitreiking werd al met de bouw begonnen. Nokia is een 150 jaar oud bedrijf dat oorspronkelijk papier produceerde. Via rubber, kabel en allerlei andere producten kwam de concentratie in het begin van de jaren negentig te liggen bij de mobiele telefonie. De eisen van Nokia waren: een universele werkplaats voor 1200 mensen, met algemene ruimtes als een auditorium, vergaderzalen, etc. en snel en goedkoop bouwen. De visuele identiteit van het kantoor was niet belangrijk en luxe evenmin. Hoe moeilijk de ontstaansgeschiedenis was blijkt uit het feit dat tijdens het bouwen nog beslist moest worden welke functie op welke verdieping terecht moest komen. Nokia kreeg uiteindelijk meer dan gevraagd was: een niet al te groot gebouw met een simpele structuur, deels prefab, deels beton als dragende constructie en een stalen frame. De ramen vormen een dubbele façade, die energiebesparend is. Deze is overigens op het laatste moment toegevoegd, waarbij de computer zorgt voor temperatuurregulatie. Het isolatie-, ook tegen het verkeer van de naburige westelijke snelweg, en het ventilatie-systeem betaalt zich binnen 7 jaar terug. De driehoeksvorm, het transparante karakter, in het kader van de communicatie (symbool voor Nokia’s activiteit), de warme sfeer door het gebruik van kersenhout ( naast staal en glas) en de vele informele ontmoetingsruimten geven het gebouw zijn eigen bijzonderheid. Een ander recent project is de uitbreiding van het Parlementsgebouw. Ook hiervoor werd een prijsvraag uitgeschreven. Helin koos ervoor een dialoog aan te gaan met de omringende gebouwen: het bestaande Parlementsgebouw uit de jaren dertig, een groot pompeus gebouw, geliefd door de Finnen, maarniet door de bezoekende buitenlanders, de uitbreiding uit de jaren zeventig en Steven Holls Kiasma. Bovendien onderzocht hij de iconagrafie van de parlementsgebouwen en vond in de grote vergaderzaal het centrale element. In zijn uiteindelijk ontwerp is er een duidelijke referentie naar Asplunds bibliotheek in Stockholm. Andere projecten zijn: een energiezuinig wonigbouw-project uit begin jaren tachtig waar zonnepanelen zeer energiebesparend werkten maar er toch geen bestellingen volgden (typisch Fins), het huizen-project Hestrasweden uit begin jaren negentig met een semi-open karakter en de invoering van een nieuw type woning (grote ruimte in lage bebouwing), sociale woningbouw op een voormalig haventerrein en een competitie-inzending voor het voormalige vliegveld van Oslo (Farnaboo), waar op het schiereiland de relatie mens-natuur hersteld dient te worden. Reactie Jan Frederik Groos (O drie architecten): Verheugd om het interieur van het Nokia hoofdkantoor en de daarbij behorende binnenruimtes nu eens te zien, tijdens de reis was er alleen de mogelijkheid het exterieur te bekijken. De referentie Japan en Nokia en mobiele telefonie is snel gemaakt. Japan en Finland hebben beide een speciale relatie met de natuur en met technologie. Hetgeen een modernisme zonder dogma oplevert, waarbij de natuur geïmiteerd wordt (door gebruikmaking van natuurlijke hulpmiddelen, zoals hout) en men openstaat voor de nieuwste ontwikkelingen op technologisch gebied. Dit modernisme is in Finland een cultuur fenomeen. Het thema touchability of strokability (gaat immers om huid) is overigens bij het Nokia hoofdkantoor technologischer benaderd, anders dan de traditionele modernistische manier. Rainer Mahlamäki (Kaira, Lahdelings, Mahlamäki). Concept & detail: Lusto Forest Museum en ander recent werk. De deelname van verschillende jonge architecten aan een prijsvraag is een Finse traditie. Voor het Lusto Forest Museum in 1991 was dit niet anders, een oudere rot won echter. Mahlamäki koos voor een ronde hal als permanente tentoonstellingsruimte en voor een rechthoekige hal waar de andere faciliteiten als service winkels, restauratie-ateliers in werden ondergebracht. Het oorspronkelijk bos om het museum werd door de eigenaar weggehaald, reden voor de architect om niet meer langs te komen. De hoop op nieuw bos is niet alleen ingegeven door de wens het gebouw weer eens te zien maar ook omdat de relatie met de natuur belangrijk onderdeel is van het gebouw. Hier vervolgen de bezoekers hun activiteiten en gaat de tentoonstellingsruimte over in de natuur. Elke cultuur heeft haar eigen manier om met ruimte om te gaan: "articulations of materials as mental space following principles to the cults of each country". Zo kent de Franse cultuur de radiale hiërarchie als structurerend principe en de Amerikaanse het rechtlijnige netwerk. In Finland wordt het bos gezien als een geometrische vorm, de gereguleerde ‘routing’ is het structurerend principe. Dit geldt ook voor een gebouw, in het Lusto Forest Museum toont dit zich door de brug als entree en de ramp, via waar men het eindpunt, met uitzicht over de omgeving, bereikt (een prototype werd gemaakt voor Milaan, van plywood en recycled materiaal en voor een kleiner project bij Lusto). Lusto betekent in het Fins jaarring. Dit werd als symbool voor informatieverstrekking gebruikt: het expositiesysteem bestaat in principe uit ring na ring. Voor de opdrachtgever is de ronde vorm en het houten frame belangrijk, voor de architect is de abstracte component het belangrijkste, de relatie tussen ruimte en informatie. Er is niet alleen hout gebruikt, ook is er voor beton gekozen, want de wetgeving aangaande (brand) veiligheid is zo streng dat hout niet als frame te gebruiken is en voor de architect de dialoog van materialen belangrijk is, waarbij beton als achtergrond voor hout functioneert. Een ander project is het Folkartmuseum, uit 1993, feitelijk 1 jaar voor Lusto gerealiseerd. Hier geldt een vergelijkbare thematiek: de relatie gebouw en landschap staat centraal, waarbij het landschap steeds zichtbaar is door de uitgekiende looproute door het gebouw. Getracht is verschillende ruimtes, verschillende dimensies en verschillend licht te creëren. Het gebruik van het materiaal (met name hout), het rotsoppervlak en de technische systemen zijn daarvoor ingezet. Het hout is in zijn natuurlijke conditie. Als hout niet behandeld wordt verkleurt het ( de 110 jaar oude kerkjes in Finland). Het is onmogelijk om houten façades schoon en licht te krijgen, een behandeling met een mix van teer en olie zorgt ook voor een kleurverandering. Het gaat Mahlamäki niet zozeer om het benadrukken van verschillende materialen of om hout- of staal-architectuur, maar om architectuur of niet-architectuur of om architectuur met en zonder kwaliteit. Als voorbeeld geldt een klein gebouw bij Helsinki (Estima Comm Service) waar medische faciliteiten in zijn ondergebracht en hout een kleine rol speelt, meer het kruid in de compositie is. Reactie Machiel Spaan (M3H): Finse meren in Hollandse polders Tijdens de studiereis is hij geraakt door het Finse meren-district: ontelbare eilandjes, de meeste bebouwd in uitgestrekte omgeving. Lusto kwam over als een houten kasteel waar de integratie van bos en meer het geheel een meerwaarde gaven. Nederland moet in het verleden er ook zo uit hebben gezien. De directe relatie met de zee was een defensieve: bescherming tegen water door middel van dijken. Zo ontstond het typische polderlandschap. Dit directe contact met het water in Nederland is verbroken door de Deltawerken. De Hollandse Waterlinie, verouderd toen Duitse vliegtuigen overkwamen, had nog een direct contact met het water, een verdedigingsmechanisme door onderstroming is een goede exploitatie van het landschap. De functie vereiste camouflage met forten verborgen in het landschap op die strategische plekken waar doorgang was, de rest stond in dienst van zicht- en schietlijnen. Vanuit de fortificaties liepen de verkeerslijnen en het omringende landschap stond in dienst van de forten. Het concept van de façade, zoals bij de Middeleeuwse kastelen, was verdwenen, waardoor informatie over de constructie alleen uit het grondplan te verkrijgen is. Deze aarden bastions waren snel en goedkoop te maken. In de forten is ook alle ruimte economisch, er is geen detaillering. Het geheel ziet eruit alsof er buitenaardse ruimteschepen her en der verspreid over het landschap liggen. Dit voorbeeld van ‘ touchability’ waarbij het gebouw landschap wordt en andersom past in de Finse bouwtraditie. Jens Kvorning (Royal Academy of Fine Arts Copenhagen): Kansen en keuzes voor Kopenhagen. ‘Touchability ‘ verwijst naar het speciale licht wanneer de nacht in de dag overgaat en het landschap licht abstract doet lijken. Het suggereert een mogelijkheid van of leven of dood, de mogelijkheid tot aanraken is het bewijs dat je leeft, aanraken is weten dat je leeft. De Deense schilder Ibsen toonde deze abstractheid in zijn landschappen naast zijn notie van dat ingrijpen in een landschap vernietiging van dit landschap inhoudt. Het landschap heeft een grote rol gespeeld in de geschiedenis van Kopenhagen. Tot 1617 was het een Middeleeuwse stad. Daarna ontstaat een nieuwe renaissance stad, met aan de andere kant een beschermde haven. De verdubbeling van de stad vindt plaats. De fortificatie ontwikkelt zich verder op het land. De verdedigingslijn is de bepalende factor in de ontwikkeling van de stad. Met als gevolg een militaire stad en een burger stad in en aan een groot watergebied. Rond 1880 komt de industrie naar de stad, een nieuw artificieel landschap wordt gecreëerd. Na de Tweede Wereld Oorlog vindt de uitbreiding van de stad westwaarts plaats en volgt de snelweg. In 1973 is er sprake van een radicalisering westwaarts gevolgd door de oliecrisis waardoor er tot 1981 bijna geen bebouwingsactiviteiten in de nieuwe moderne stad en in de periferie tegenover de historische stad zijn. In het begin van de jaren tachtig is er een beweging vanuit de periferie naar de stad want in de periferie gebeurt niks meer. Prijsvragen over wat te doen met de historische stad en een havengebied met veel leegstand worden gewonnen door inzenders die de strategie van revitaliseren hanteren. Dit geschiedt door grote culturele instanties, zoals bibliotheek en opera, op belangrijke plaatsen in te zetten. In 1991 stort de makelaarsmarkt in met als gevolg weinig bouwactiviteiten. In 1995 wordt er wel weer gebouwd mede door investeringen vanuit de politiek. Voorheen bestond het beleid uit decentralisatie (naar provincies en niet naar de hoofdstad), mede door de grotere rol van Europese is Kopenhagen dan weer van belang. De nieuwe brug symboliseert deze houding. De veranderende houding verandert de structuur, voorheen werd het verkeer geleid door de vingers nu door de rechte lijn die de brug veroorzaakt. Een prijsvraag hoe het contact tussen de historische stad en deze intern lijn te realiseren leverde als slimste inzendingen plannen op die zich baseren op het landschap als structurerend element. De Noor Knut Eile Del geeft zelfs geen bebouwing meer aan maar elementen die het landschap structureren zoals bos, park, kanalen die de grondslag leggen voor latere bebouwing. De Finse winnaars gebruiken het landschap ook als structuur, waarbij de rol van het waterfront bepalend is. De overheid investeert ook in de uitbreiding van de high-tech city. Het probleem van private marktinterventies is echter de kans op middelmatige architectuur. De politiek moet investeren zeker als in een moeilijk gebied de ontwikkeling langzaam verloopt. Ook kan de introductie-strategie werken door het bouwen van bijvoorbeeld een school kan voor de private markt de omliggende omgeving interessant worden. Een voorbeeld van deze problematiek is de lege BMW scheepswerf waar een grote mooie ruimte te ontwikkelen is voor specifieke functies maar waar het probleem opdoemt dat investeerders middelmatigheid willen. Een succesvolle interactie tussen de historische stad en de haven is het plan van Henning Larsen waar rondom een kerk het idee van de continuïteit van de stad wordt uitgevoerd. Het besef dat er veel processen in de stad plaatsvinden zonder dat zij fysieke veranderingen realiseren komt hier tot uiting. Als private investeerders geen kwaliteit afleveren dan is de taak van de architect dit te bestrijden. Reactie Johan Meeus (O&O): Reeds 25 jaar terug bracht hij zijn eerste bezoek aan Kopenhagen, toen als student landschapsarchitectuur en onder de indruk van de stedebouwkundige planning. Deze tour de force bleef aanleiding om via alle mogelijke middelen van vervoer Kopenhagen steeds weer te bezoeken. En zo veel geslaagde en nietgeslaagde voorbeelden van de relatie landschap en bebouwing gezien. Geslaagd zijn volgens hem onder andere Klampenborg en Friesenborg. Niet geslaagd vindt hij Amagar en het gebied tussen het centrum en Christianshaven. Kopenhagen kent nu een serieus probleem: de relatie tussen de binnenstad en de voorsteden is vertroebeld en onduidelijk. De metafoor van de vingerstad heeft gewerkt, maar lijkt nu uitgewerkt. Het idee van alles op elkaar gepakt en alles door elkaar moet worden losgelaten. Kopenhagen zette altijd een stap van land naar zee met het verkeer gelokaliseerd op de grens van water en land. Een nieuw concept, met als centrale element het contact en het contrast tussen stad en zee, moet Kopenhagen weer de impact van 25 jaar geleden geven. Sven Ingvar Andersson (landschapsarchitect) concept & detail: de Deense en de Nederlandse ontwerpattitude. Het plan voor Helsingborg (Zweden) is een voorbeeld van een herinrichting waarbij het begrip touchability van belang is. Door een aantal ingrepen, zoals de ophoging van het kadeniveau, waardoor het water weer zichtbaar wordt, is een historische connectie met de oorspronkelijke haven gelegd. Deze plek waar verschillende soorten verkeer samenkomen is ook een plek om te blijven. De crux lag in de werking van de plek. De plaatsen waar men niet kan zitten zijn tastbaar gemaakt door er water over te laten stromen (referentie Gaudi Barcelona). De lijnen voor het verkeer zijn tastbaar door het gebruik maken van natuurlijke elementen als de kustlijn. Bovendien moet men niet bang zijn technieken en materialen die al gebruikt zijn te gebruiken. Het resultaat is bevredigend want men weet hoe en waar te gaan. Basis voor kwaliteit van architectuur is volgens Andersson de relatie tussen de interventie (het object) en het verleden. De kwaliteit van handwerk of natuurlijke oppervlakken ontbreken vaak in de moderne architectuur. De techniek produceert dit niet en ontwerpers willen snel resultaat. Toch kunnen door mensen gemaakte producten dezelfde touchability bezitten als de natuur. Een voorbeeld is het werk van Naum Gabo (zoals in zijn kunstwerken waarbij door herhaling van snaren de individualiteit verloren gaat en een tastbaar oppervlak ontstaat). Het Museumplein is een plek voor alle mensen en voor elke dag. Het is een overzichtelijk open gebied omringd door monumentale gebouwen. Het aspect van touchability bestaat hier vooral in de dubbele functie van de elementen. Zoals een verhoging die functioneert als stopteken voor auto’s en als zitplaats. En het verbreden van het museum pad biedt zowel een visuele basis voor het Concertgebouw als een ruimte voor optredens. Ook de vele voorbeelden van herhalingen, bijvoorbeeld de hekken en de schaduw daarvan op het gravel, zorgen voor touchability. Daarnaast zijn de strategische elementen, als de fontein en de vijver uitingen van touchability want er is niets ‘more touchabel’ dan water. Lucht is de grootste abstractie in een dichtbevolkte stad als Amsterdam met weinig open plekken. Bij een open plek als het Museumplein bepaalt de detaillering van de inrichting het beeld, het beeld is weer bepalend voor de sympathie die men opbrengt voor een plek. Anderssons eigen tuin is zo’n sympathieke plek mede doordat het als speeltuin voor de zintuiglijke waarneming functioneert. Architecten als Asplund, Aalto en Utzon hebben herhaaldelijk gezegd dat de zintuiglijke waarneming of de landschapservaring als inspiratie gold voor hun werk. Landschapsarchitecten zijn nog meer gewend aan het determineren van die compartimenten van de natuur die zorgen voor een sympathieke ervaring bij de beschouwer. Ze zijn zich bewust dat de natuur niet geïmiteerd kan worden; de architect moet de reacties analyseren en van daar uit ontwerpmethoden ontwikkelen die de modetrends te boven gaan. De sterke relatie tussen touchability en tactility speelt een belangrijke rol in het vaak mentaal onbewuste proces van de beschouwer. Het geheim van touchability zijn de onbewuste referenties. Referenties als grootschaligheid-detail, lichaam-ziel, tijd-eeuwigheid en het oppervlak van het object- diepste lagen van het thema. Reactie Peter Lubbers (landschapsarchitect buro Lubbers). Lubbers toont dia’s met details van straatpatronen opgenomen tijdens de studiereis werden vergeleken met dia’s van het huidige Museumplein. Peter Hemmersam (Transform) Urban sampling, visie vanuit Arhus. Transform is een samenwerkingsverband van jonge Deense architecten op het gebied van het ontwikkelen van nieuwe methodieken voor stadsanalyse. Naast research op dit gebied worden er publicaties verzorgd en tentoonstellingen georganiseerd. Transform heeft het concept ontwikkeld voor de H-City. Denemarken is een land met 5 miljoen inwoners en kent geen grote problemen als de ’amerikanisering’ van steden. De infrastructuur is grondig veranderd sinds de oplevering van de nieuwe brug die Denemarken met Zweden verbindt. H-city is de stad van de infrastructuur, waarin beweging en tijd een groter rol spelen dan ruimte. H-city is meer een programma, waar de mogelijkheid geboden wordt om landschapselementen in de bebouwde structuur te voegen, dan een uitgewerkt plan. De ruimte voor het onverwachte is van groot belang. Bereikbaarheid is een sleutelwoord, het is een herschrijven van de geschiedenis van de stad op de fundamenten van de oude infrastructuur. H-city is een stad van letters en nummers, met de snelweg als rode draad. H-city is meer de stad van auto-ontwerpers en reclamebureaus dan de stad van stedenbouwkundige planners. H-city is de gestapelde stad; wonen, winkelen, werken en ontspannen. Het is een compositie van bekende elementen in een nieuwe schikking. Het is een stad van herhalingen waarbij de herhalingen complexiteit opleveren. Het is een combinatie van de hyperrealiteit van de bebouwde omgeving en het surreële landschap. H-city is de meervoudige stad, de passeer stad. H-city is een mix van symmetrische composities en kronkelende wegen. H-city is het anticiperen op de toekomst en het herinneren van het verleden. Het is de stad van de toename van communicatie en transport. In sommige steden heerst de ‘one-trick’ architectuur ( het Bilbao model). Tegenover deze homogeniteit pleit Transform voor de heterogeniteit. De stad dient een divers karakter te bezitten, moet ervaringsgericht zijn en zich onderscheiden door een eigen identiteit. De infrastructuur weeft een patroon door de stad, zodat plekken ontstaan waarop het citaat uit de film Fargo: " a lot can happen in the middle of nowhere’‘ van toepassing is. Transform constateert dat er vaak hoge verwachtingen voor centra zijn, maar vindt dat de interessante processen vaak gebeuren buiten die centra. In het moderne ecologisch landschap ligt de nadruk op ontspanning. Transform houdt een pleidooi voor een pittoresk patroon in plaats van de traditionele wegen. Variatie is mogelijk door de (her-)introductie van niet ge-asfalteerde wegen en bijvoorbeeld groentetuinen. Het landschap is, in tegenstelling tot de modernistische opvatting van restgebied, het bepalend element. Grenzen verdwijnen en worden zones. De historische tegenstelling uit de Romantiek tussen natuur en cultuur vervaagt, hybride (landschaps-)vormen zijn nu mogelijk. De Deense landschapskunst uit de 19de eeuw was politiek beladen. Het bestond uit een constructie van het landschap. Door onder meer het invoeren van niet bestaande monumenten, zoals het benadrukken van lijnen, zoals de strandlijn, die juist de cultivatie van het landschap inhouden. Deze constructie leverde het zeer succesvolle idee van authenticiteit op. De H-city maakt gebruik maken van wat er al is, het romantisch landschap zal blijven bestaan, en gaat uit van het sampled landschap. Naast de romantische elementen worden de naoorlogse opvattingen gebruikt, waarin het golfterrein de landbouwgrond ontmoet. Deze helder gedefinieerd typen worden aan elkaar gebonden door de infrastructuur. Reactie Mechtild Schumacher (MUM architects, redacteur Oase) Onder de indruk geraakt van de campus van de universiteit van Arhus, die door Fisker, Moller en Stegmann in samenwerking met de landschapsarchitect Sorensen ontworpen is. Hier is een uniek ensemble van materiaal en vegetatie gerealiseerd, waarbij de natuurlijke verjaring van de belangrijkste elementen, steen, klimop en de eikenbomen een grote rol speelt. Opvallend is de zwaarte van de architectuur in het glooiende Deens landschap. Dit is een fundamenteel verschil met Nederland. Terwijl het Deens landschap zich slechts een paar meter boven de zeespiegel bevindt levert dit een andere houding op ten aanzien van gewicht, materiaal en natuur. De Deense houding bestaat uit het met beide benen op de grond staan. Opvallend is daarom dat de huidige jonge generatie (landschaps-) architecten (op-)kijkt naar de Nederlandse en Franse architecten, terwijl de Deense traditie benieuwd maakt naar wat er over de komende jaren vanuit Denemarken geproduceerd wordt. De lezingen wordt gevolgd door een debat onder leiding van Rob Docter (directeur Berlage Instituut). Rob Docter werd bij zijn eerste bezoek aan de noordelijke hoofdsteden vooral geraakt door de glans, de visuele touchability. En door de bijzondere manier waarop het landschap als natuurlijke context voor de architectuur functioneert. In de lezingen ontbrak de discussie over stedelijkheid. Is er sprake van verschillende typen van stedelijkheid in Denemarken/Finland en Nederland? En is dat reden voor het verschil in het architectonisch klimaat? Mikael Sundman stelt dat stedelijkheid in Finland nog zo jong is dat het eigenlijk niet bestaat. Er is geen traditie zoals in Nederland. De Fin voelt zich in de stad vooral alleen. Peter Hemmersam tracht juist de urbane traditie weer op de agenda te krijgen. Paul Kuitenbrouwer, die in Maastricht aan een stedelijk plan werkt ziet, vindt dat Maastricht meer een Europese stad is dan een Hollandse met als gevolg dat de openbare ruimte dominant is in het ontwerp. Henk Döll merkt op dat het verschil in bevolkingsdichtheid bepalend is (in Finland 17 inwoners per hectare tegenover Nederland 375 inwoners per hectare). In Nederland bestaat geen echt ‘buiten’ terwijl in Finland het grootste deel van het land bestaat uit lege open ruimten. Mikael Sundman vindt het opvallend dat in Helsinki de openbare ruimte voor iedereen is en tegen de tendens in gaat van de ontwikkeling in andere Europese steden, waar de binnenstedelijke open ruimte voor steeds minder mensen toegankelijk wordt. De recente ontwikkeling in Finland is dat steeds meer mogelijkheden gecreëerd worden voor stedelijk leven. Sven Ingvar Andersson stelt de vraag centraal: hoe ervaar je de relatie natuur-stedelijk leven en hoe bewust ben je in je reactie? In Engeland bestaat de traditie van het (tijdelijk) wonen in de stad met de diepe wens om buiten te willen wonen. In Finland is het echte leven ook buiten. In Nederland is er vanwege de bevolkingsdichtheid geen buiten. Volgens Peter Hemmersam tonen de statistieken aan dat er een enorme toename van verkeer heeft plaatsgevonden. Het potentieel van de infrastructuur komt daarmee op de agenda. Jens Kvorning stelt dat het begrip stedelijk leven de laatste twintig jaar is veranderd. De huidige vorm is levendiger en gespecialiseerder. Bovendien verplaatst men zich nu vanuit de voorsteden naar de stad. Hoge bevolkingsdichtheid creëert stedelijk leven. Het is opmerkelijk dat Nederlandse ontwerpers inspiratie komen opdoen in Scandinavië, terwijl de Noordelijke vakgenoten juist zich graag verdiepen in de Nederlandse voorbeelden. Rob Docter sluit de discussie af met de constatering dat deze dag een vruchtbare dialoog tussen verschillende ontwerpculturen heeft opgeleverd, en dat het begrip Touchability - door de individuele sprekers verschillend ingevuld - duidelijk heeft gemaakt dat opvattingen over vakmanschap bij nadere beschouwing dicht bij elkaar blijken te liggen. Vervolgens werden de tentoonstellingen Touchability en Copenhagen Concepts of Continuity officieel geopend door de heer Walther Kjærby Jensen, attaché van de Deense Ambassade in Nederland. English Summary The seminar Touchability which took place on March 23th, 2000 at the Faculty for Architecture of Delft Technical University formed the closing event of a study-trip for architects to Denmark, Sweden and Finland, organized by the Dutch Foundation for Arts and Architecture. Twenty architects, urban planners, interior designers and landscape architects travelled for three weeks through cities as Copenhagen, Stockholm and Helsinki. Purpose of the seminar was to present the results of the study-trip to the Dutch architectural society and at the same time discuss the theme ‘Touchability’ together with a selected group of lecturers from Denmark and Finland. Touchability was selected as the main subject for discussion, since most of the participants in the trip noted that this seemed to be the most striking characteristic of the so-called Nordic architecture. Henk Döll, architect from the Delft-based firm Mecanoo referred to the tendency among students, but also among several architectural offices, to focus more and more on Conceptuality, which - to his opinion - leads to a reduction of the appreciation of craftsmanship. The architecture form Denmark and Finland however, shows us that high quality can only be reached when craftsmanship is integrated on all levels of design. In the work of Mecanoo references to specific examples of Scandinavian and Finnish architecture (Aalto, Asplund) are obvious, but even more important is the attitude towards every architectural assignment: a constant dialogue with the client, future users and the environment. Mikael Sundman (Helsinki Town Planning Department) indicated that Helsinki is a relatively young town. Both in historic schemes as in recent town-planning proposals a lot of attention is being payed to the relation between nature and the city. Respecting nature and taking advantage of optimal conditions in the landscape are actual themes in the current debate. Pekka Helin (Helin & Co, Helsinki) illustrated among other projects the design for Nokia headquarters. Surprisingly he told that the project had to be build in a rush. Two months after the assignment the building-process had allready started, while for example it was not yet determined where the different functions should be placed. Finally Nokia got more than it deserved, for instance through the energy-saving double facade. Rainer Mahlamäki (Kaira, Lahdelings, Mahlamäki) showed his project for the Lusto Forest Museum. He explained that the forest is the main reference-point in Finnish architecture. Its geometrical form and the regulated routing formed the inspiration for the Lusto-scheme, which actually also referres to year-rings. Central theme is the relation between the architecture and the environment. The architectural routing and the use of different materials (variations of wood, but also steel and concrete) create the desired heterogenity. Jens Kvorning (Royal Academy Copenhagen) pointed out that there may be a relation between Touchability and the Northern light. The landscape becomes abstract when day turns into night. The ability to touch makes the difference between day and night or between life and death. I can feel so I live. Kvornings lecture on the history of Copenhagen leads to the observation that landscape should structure future interventions in the urban tissue. In that respect the government still has to invest to force private investors to come forward with more than mediocre schemes. Sven Ingvar Andersson (landscape architect, Copenhagen) states that modern architecture mostly lacks the quality of craftmanship or natural surfaces. However, to his opinion, man-made objects can have the same ‘touchability’ as nature. Touchability can be met when objects get a second meaning. At the Museumplein strategic elements are the fountain and the pond, because: ‘what is more touchable than water?’. The secret of touchability is that the object evokes unaware references. Peter Hemmersam (Transform, Aarhus) demonstrated the project for H-city, the city of infrastructure, where movement and time are dominant over space. By urban sampling in programmatic sence, but following the rules of the landscape, new hybrid places can be created, with new forms of authenticy. In the final discussion, chaired by Rob Docter (director Berlage Institute) urbanity became the central topic for the debate. Can the difference in attitudes towards design be explained by the fact that the Netherlands has such a strong urban tradition, while the Nordic countries are just recently having to cope with a demand for public space in the cities? Sundman, who says that a Fin feels alone in the city, finds it striking that while in other European cities the urban public space is more and more privatised, Helsinki is trying to create possibilities for more public space. Kvorning indicates that urban life -also in Denmark and Finland - is changing rapidly. Furthermore he finds it striking that while Dutch designers are trying to find inspiration in the Nordic countries, their colleagues from the North prefer to study Dutch examples. Stating that this day has delivered a fruitfull dialogue Rob Docter closes the seminar. All lecturers may have a different view on Touchability; we agree that our visions on quality in Architecture do not lay far apart. Verslag: Marc A. Visser, Kirsten Schipper |