"Met twintig architecten, stedebouwers, landschapsarchitecten en interieurontwerpers trokken we in de zomer van 1999 naar de Noordelijke landen: Denemarken, Zweden en Finland. De reis duurde drie weken en begon intensief. Het programma was strak, hectisch en afgemeten; tenslotte ligt alles in Denemarken dicht bij elkaar en de tijd was beperkt. In Finland eindigde de reis wat meer ontspannen. Tussen de verschillende te bezoeken gebouwen, steden en dorpjes in Zuid-Finland waren er lange busritten langs de Finse bossen en meren. Daar tussenin bezochten we Zweden, of liever Stockholm. Hier begon het tempo al wat lager te worden, maar we hebben desondanks veel projecten bezocht, lezingen bijgewoond en een lunch met Ralph Erskine genoten.

De excursie naar Denemarken, Zweden en Finland vond plaats van maandag 7 juni tot en met zaterdag 26 juni 1999. Ze werd mogelijk gemaakt door de reisbeurzen die het Fonds voor Beeldende Kunst, Vormgeving en Bouwkunst ter beschikking stelt.

In de volksmond spreekt men over het 'Fonds van de individuele subsidies'. Individuele architecten, stedebouwers, landschappers en interieurontwerpers hebben het echter vaak zo druk dat het organiseren van een intensieve studiereis, inclusief het maken van afspraken, het regelen van entrees, het in gesprek komen met boeiende architecten, stedenbouwers en ambtelijke diensten niet tot de mogelijkheden behoort. Daarom biedt het Fonds sinds 1992 georganiseerde studiereizen aan. Het onderwerp wordt bepaald door de subcomissie bouwkunst, die ook de subsidieaanvragen beoordeelt; de organisatie wordt uitbesteed. In het verleden werd het Nederlands Architectuurinstituut daarmee belast, in 1999 hebben Marc A. Visser en Hans van Dijk deze taak op zich genomen.

Het reisdoel werd bepaald door open en min of meer verborgen agenda's. De subcomissie, de organisatoren en bijna alle reisdeelnemers wilden kennis maken met de wijze waarop de architectuur zich met de omringende natuur verstond. Dat is niet vreemd, omdat in Nederland de natuur zo kunstmatig is dat je haar nauwelijks meer in ongerepte staat kunt beleven, en dus ook niet als architect op die overweldigende onschuld kunt reageren.

Het tweede thema was dat van de 'touchability', de 'aanraakbaarheid' ofwel het zintuiglijke aspect van de architectuur. In het hedendaagse debat is dat ondergesneeuwd door veel cerebrale theorieën, maar iedere praktiserende architect weet waarom het te doen is: wat je maakt moet niet van verbale uitleg afhankelijk zijn maar overdraagbaar zijn via de zintuigen. In de Noordelijke landen hebben we daarvan heel wat opgestoken.

We hebben oude, modern 20ste-eeuwse en hedendaagse gebouwen bezocht en hebben ons laten voorlichten over de eigentijdse stedenbouwkundige ambities van drie hoofdsteden in Scandinavië en Finland. Het opvallendste is dat de reisdeelnemers een hogere dunk hadden van de prestaties in het verleden dan van de hedendaagse productie. De Denen hebben vooral indruk gemaakt met hun woningbouw / stedenbouwprojecten van de jaren zestig en zeventig, de Zweden met hun 'Swedish Grace' van de jaren dertig en hun degelijke stedenbouwkundige traditie. De Finnen hebben toparchitectuur geleverd vòòr, tijdens en na Aalto.

Maar overal waar we kwamen bleek de hedendaagse architectuur in Nederland nu bovenaan de ranglijst te prijken. Dat was eervol, maar soms ook een beetje gènant. Zo goed zijn we nu ook weer niet en het is niet voor niets dat we naar het Noorden zijn gegaan om als Nederlanders iets wijzer te worden."

Hans van Dijk, uit inleiding publicatie ‘Touchability’ verslag van een bouwkunst reis naar Denemarken, Zweden en Finland.